Hulp nodig?
Onze servicedesk is van 08:00 tot 17:00 beschikbaar.
Neem contact op via: info@hoffelijk.nl of 010 – 760 11 00

Belasting

We raden je aan je scherm te draaien voor optimale weergave.

Inkomstenbelasting

Het ministerie van Financiën heeft de belangrijkste (cijfermatige) wijzigingen in de rijksbelastingen gepubliceerd.

Fiscaal partnerschap

Als fiscaal partners het gehele kalenderjaar partners zijn, mogen zij het saldo van de inkomsten en uitgaven van de eigen woning, de persoonsgebonden aftrek (onder andere betaalde alimentatie), het inkomen uit aanmerkelijk belang en de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, onderling aan elkaar toedelen (zolang het in totaal 100% is).

Volgens artikel 5a AWR worden als fiscaal partners gezien:

  • Echtgenoten en geregistreerd partners;
  • Ongehuwde meerderjarigen met een notarieel samenlevingscontract, die in de Basisregistratie personen (BRP) (of een hiermee vergelijkbare registratie in het buitenland) op hetzelfde woonadres staan ingeschreven.

Als ongehuwde meerderjarigen zonder notarieel samenlevingscontract op hetzelfde adres staan ingeschreven, worden zij voor de inkomstenbelasting als partner gezien als ze voldoen aan één van de volgende voorwaarden (artikel 1.2 Wet IB 2001):

  • Uit hun relatie is een kind geboren;
  • Eén van de partners heeft een kind van de ander erkend;
  • Ze hebben elkaar als partner aangemeld binnen een pensioenregeling;
  • Er is een (in eigendom zijnde) gedeelde woning die hen anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat;
  • Een minderjarig kind van minimaal één van hen staat ingeschreven op hetzelfde woonadres (behalve als er een huurovereenkomst is waaruit blijkt dat er op zakelijke gronden van de ander wordt gehuurd);
  • In het voorafgaande kalenderjaar was al sprake van fiscaal partnerschap.

In artikel 1.2 lid 4 Wet IB 2001 staan de situaties waarin men niet als fiscaal partner wordt gezien:

  • Een bloed- en aanverwant in de eerste graad van de belastingplichtige, behalve als beiden bij de aanvang van het kalenderjaar de 27-jarige leeftijd hebben bereikt;
  • Een persoon die geen inwoner is van Nederland, behalve als hij volgens artikel 7.8 Wet IB 2001 kwalificerend buitenlands belastingplichtige is;
  • Op verzoek: een persoon die de 27-jarige leeftijd nog niet heeft bereikt en voor wie een pleegvergoeding in de zin van de Wet op de Jeugdzorg of de Jeugdwet is ontvangen. Ook worden belastingplichtigen op verzoek niet als fiscaal partners gezien als de een voor de ander kinderbijslag heeft ontvangen.

Box 1

Belastbaar inkomen uit werk en woning (hoofdstuk 3 Wet IB 2001) is het inkomen verminderd met de te verrekenen verliezen. Het inkomen uit werk en woning is het gezamenlijke bedrag van:

  • De belastbare winst uit onderneming (afdeling 3.2 Wet IB 2001);
  • Het belastbare loon (afdeling 3.3 Wet IB 2001);
  • Het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden (afdeling 3.4 Wet IB 2001);
  • De belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen (afdeling 3.5 Wet IB 2001);
  • De belastbare inkomsten uit eigen woning (afdeling 3.6 Wet IB 2001);
  • De negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen (afdeling 3.8 Wet IB 2001);
  • De negatieve persoonsgebonden aftrekposten (afdeling 3.9 Wet IB 2001), verminderd met:
  • De aftrek door geen of geringe eigenwoningschuld (afdeling 3.6a Wet IB 2001);
  • De uitgaven voor inkomensvoorzieningen (afdeling 3.7 Wet IB 2001);
  • De persoonsgebonden aftrek (hoofdstuk 6 Wet IB 2001).

In de onderstaande tabel wordt het tarief voor het belastbaar inkomen uit werk en woning weergegeven voor mensen die de AOW-leeftijd nog niet hebben bereikt (artikel 2.10 Wet IB 2001):

Bij een belastbaar inkomen Belastingtarief Tarief premie volksverzekeringen
AOW: 17,90%
Anw: 0,10%
Wlz: 9,65%
Totaal tarief Heffing over totaal van de schijven
€ 0,- tot € 35.129,- 9,45% 27,65% 37,10% € 13.032,-
€ 35.129,- tot € 68.507,- 37,10% 37,10% € 25.415,-
Vanaf € 68.507,- 49,50% 49,50%

In de volgende tabellen staan de tarieven voor het belastbaar inkomen uit werk en woning weergegeven voor mensen die de AOW-leeftijd hebben bereikt (artikel 2.10 Wet IB 2001).

Geboren op of ná 1 januari 1946*

Bij een belastbaar inkomen Belastingtarief Tarief premie volksverzekeringen
Anw: 0,10%
Wlz: 9,65%
Totaal tarief Heffing over totaal van de schijven
€ 0,- tot € 35.129,- 9,45% 9,75% 19,20% € 6.744,-
€ 35.129,- tot € 68.507,- 37,10% 37,10% € 19.127,-
Vanaf € 68.507,- 49,50% 49,50%

* Voor mensen die geboren zijn op of ná 1 januari 1946 geldt de houdbaarheidsbijdrage. Deze regeling is ingevoerd per 1 januari 2011. Door deze maatregel wordt de tweede tariefschijf jaarlijks nog maar met 75% van de inflatiecorrectie aangepast, waardoor mensen sneller in de tweede tariefschijf vallen.

Geboren vóór 1946 (artikel 2.10a Wet IB 2001)

Bij een belastbaar inkomen Belastingtarief Tarief premie volksverzekeringen
Anw: 0,10%
Wlz: 9,65%
Totaal tarief Heffing over totaal van de schijven
€ 0,- tot € 35.941,- 9,45% 9,75% 19,20% € 6.900,-
€ 35.941,- tot € 68.507,- 37,10% 37,10% € 18.981,-
Vanaf € 68.507,- 49,50% 49,50%

Box 2

Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang is het inkomen uit aanmerkelijk belang (afdeling 4.4 Wet IB 2001), verminderd met de te verrekenen verliezen uit aanmerkelijk belang (afdeling 4.10 Wet IB 2001).

Het inkomen uit aanmerkelijk belang is het gezamenlijk bedrag van:

  • De voordelen die worden genoten uit tot aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen (reguliere voordelen: artikel 4.13 Wet IB 2001), verminderd met de aftrekbare kosten; en
  • De voordelen die worden behaald bij de vervreemding van tot aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen, of bij de vervreemding van een gedeelte van de in deze aandelen of winstbewijzen besloten liggende rechten (vervreemdingsvoordelen: artikel 4.19 Wet IB 2001), verminderd met de persoonsgebonden aftrek (hoofdstuk 6 Wet IB 2001), voor zover deze niet in mindering is gebracht op het belastbaar inkomen in box 1 en/of box 3.
Tarief belastbaar inkomen box 2 (artikel 2.12 Wet IB 2001) 26,90%

Let op de volgende begripstoelichtingen:

Aanmerkelijk belang (artikel 4.6 Wet IB 2001)
De belastingplichtige heeft een aanmerkelijk belang, als hij, al dan niet tezamen met zijn fiscaal partner (artikel 1.2 Wet IB 2001), direct of indirect:

  • Aandeelhouder is voor minimaal 5% van het geplaatst kapitaal (als er sprake is van een vennootschap waarvan het kapitaal in aandelen is verdeeld);
  • Rechten heeft om direct of indirect aandelen te verwerven tot minimaal 5% van het geplaatste kapitaal;
  • Winstbewijzen heeft die recht geven op minimaal 5% van de jaarwinst van een vennootschap, dan wel op minimaal 5% van hetgeen bij liquidatie hiervan wordt uitgekeerd;
  • Gerechtigd is tot minimaal 5% van de stemmen in de algemene vergadering van een coöperatie of een vereniging op coöperatieve grondslag.

Meesleepregeling (artikel 4.9 Wet IB 2001)
Als een belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft in een vennootschap, dan behoren daartoe ook zijn overige aandelen in of winstbewijzen van die vennootschap.

Meetrekregeling (artikel 4.10 Wet IB 2001)
Als een belastingplichtige zelf geen aanmerkelijk belang heeft, maar zijn partner (of een van de bloed- of aanverwanten in rechte lijn van belastingplichtige of partner) wel, behoren de tot het vermogen van de belastingplichtige behorende aandelen in of winstbewijzen van een vennootschap tot een aanmerkelijk belang.

Fictief aanmerkelijk belang (artikel 4.11 Wet IB 2001)
In bepaalde situaties komt het voor dat aandelen of winstbewijzen volgens afdeling 4.3 Wet IB 2001 niet tot een aanmerkelijk belang behoren, maar dat deze toch (fictief) tot een aanmerkelijk belang worden gerekend. Als het aandelenbelang in een vennootschap bijvoorbeeld daalt door de uitgifte van nieuwe aandelen, dan kan een belastingplichtige verzoeken om de aandelen toch nog tot een fictief aanmerkelijk belang te laten behoren (artikel 4.40 Wet IB 2001). Op deze manier wordt voorkomen dat over de vervreemdingsvoordelen moet worden afgerekend.

Box 3

Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is het voordeel uit sparen en beleggen (afdeling 5.1 Wet IB 2001), verminderd met de persoonsgebonden aftrek (hoofdstuk 6 Wet IB 2001).

Het voordeel uit sparen en beleggen is een bepaald (forfaitair) percentage van de grondslag. De grondslag is de rendementsgrondslag (waarde van de bezittingen verminderd met de schulden*, zie artikel 5.3 Wet IB 2001) aan het begin van het kalenderjaar (peildatum: 1 januari), voor zover die rendementsgrondslag meer bedraagt dan het heffingsvrije vermogen.

* Schulden worden in aanmerking genomen voor zover de gezamenlijke waarde meer bedraagt dan de schuldendrempel per fiscaal partner (artikel 5.3 lid 3 onderdeel f Wet IB 2001).

Belastingheffing in box 3 kenmerkt zich door de vermogensschijven. De verdeling van het vermogen binnen de schijven is als volgt:

Schijf Deel van de grondslag sparen en beleggen Forfaitair rendement
1 € 0,- tot € 50.000,- 1,90%
2 € 50.000,- tot € 950.000,- 4,50%
3 Vanaf € 950.000,- 5,69%

Het tarief voor de belasting in box 3 (artikel 2.13 Wet IB 2001) bedraagt 31%.

In de volgende tabel worden het heffingsvrije vermogen en de verschillende vrijstellingen weergegeven.

Alleenstaanden Fiscaal partners
Heffingsvrij vermogen (artikel 5.5 Wet IB 2001) € 50.000,- € 100.000,-
Groene beleggingen (artikel 5.13 Wet IB 2001) € 60.429,- € 120.858,-
Uitvaartverzekering of andere overlijdensrisicoverzekering (artikel 5.10 onderdeel a Wet IB 2001) € 7.348,- Vrijstelling geldt per persoon
Contant geld (artikel 5.10 onderdeel d Wet IB 2001) € 552,- € 1.104,-
Kapitaalverzekering box 3 (artikel AN Invoeringswet IB 2001) € 123.428,- € 246.856,-
Schuldendrempel (artikel 5.3 lid 3 onderdeel f Wet IB 2001) € 3.200,- € 6.400,-

Groene beleggingen
Er is geen vrijstelling voor overige duurzame beleggingen.

Voorwerpen van kunst en wetenschap
Voorwerpen van kunst en wetenschap behoren niet tot de bezittingen voor box 3, behalve als ze hoofdzakelijk worden aangehouden als belegging. Voorwerpen die voor culturele en wetenschappelijke doeleinden ter beschikking zijn gesteld aan derden, zijn ook vrijgesteld (artikel 5.8 Wet IB 2001).

Kapitaalverzekeringen van vóór 14 september 1999
Voor kapitaalverzekeringen die bestonden vóór 14 september 1999, bestaat onder bepaalde voorwaarden een niet-geïndexeerde vrijstelling. Als het een polis van na de Brede Herwaardering betreft (afgesloten ná 1 januari 1992), verlaagt de vrijgestelde uitkering de vrijstelling van de KEW met het bedrag van deze vrijgestelde uitkering. Andersom wordt deze vrijstelling in box 3 verlaagd met het bedrag van een vrijgestelde uitkering/deblokkering uit een KEW, SEW of BEW. Deze wederzijdse verlaging geldt alleen als er daadwerkelijk een rentebestanddeel in de uitkering/deblokkering aanwezig is. Als dat niet het geval is, wordt er namelijk geen vrijstelling benut. Het voorgaande is terug te lezen in artikel AP van de Invoeringswet IB 2001.

Op basis van artikel AN lid 3 van de Invoeringswet IB 2001 is deze vrijstelling alleen van toepassing als ná 13 september 1999:

  • Het verzekerd kapitaal niet is verhoogd; en
  • De looptijd van de levensverzekering niet is verlengd.

Deze vrijstelling geldt tot 14 september 2029 (artikel AN lid 4 Invoeringswet IB 2001).

Defiscalisering in verband met erfenis
Bij overlijden van een ouder ontstaat vaak een onderlinge schuld- of vorderingsverhouding tussen de langstlevende ouder en de achterblijvende kinderen. Voor de heffing van inkomstenbelasting worden die vorderingen en schulden genegeerd en de onderliggende goederen fiscaal volledig toegerekend aan de langstlevende ouder.

Vruchtgebruik krachtens erfrecht
Bezittingen waar volgens erfrecht een recht van vruchtgebruik op geldt, worden in box 3 voor de volledige waarde in aanmerking genomen bij de vruchtgebruiker. Dit is een uitzondering op de hoofdregel, waarbij de waarde van het vruchtgebruik bij de vruchtgebruiker in aanmerking wordt genomen en de blooteigendomwaarde bij de blooteigenaar. Ook de volledige waarde van de schulden worden bij de vruchtgebruiker in aanmerking genomen (artikel 5.4 leden 3 t/m 5 Wet IB 2001).

Waardering bezittingen en schulden
Bezittingen en schulden worden in aanmerking genomen voor de waarde in het economisch verkeer (artikel 5.19 lid 1 Wet IB 2001). Als de waarde op de peildatum niet kan worden bepaald, wordt die waarde bepaald op het naastbij gelegen tijdstip waarop dit wel mogelijk is (artikel 5.19 lid 3 Wet IB 2001).

Heffingskortingen tot de AOW-leeftijd

Een heffingskorting is een korting op de belasting en/of premie volksverzekeringen. In de onderstaande tabellen wordt weergegeven op welke heffingskortingen een belastingplichtige recht kan hebben die de AOW-leeftijd nog niet heeft bereikt.

De heffingskortingen voor mensen die de AOW-leeftijd hebben bereikt, staan in de volgende paragraaf weergeven.

Algemene heffingskorting (artikel 8.10 Wet IB 2001)
Iedere belastingplichtige heeft tot een bepaald inkomen recht op de algemene heffingskorting.

Algemene heffingskorting
Algemene heffingskorting maximaal € 2.837,-
Start afbouw bij een inkomen vanaf € 21.043,-
Afbouwpercentage 5,977%
Algemene heffingskorting € 0,- bij een inkomen van € 68.507,-
Uitbetaalbare heffingskorting 13,33%

Partners hebben allebei recht op de algemene heffingskorting. Als één van de partners geen of weinig inkomsten heeft en dus zijn eigen heffingskorting niet (helemaal) gebruikt, kan hij onder voorwaarden (een deel van) het bedrag rechtstreeks door de Belastingdienst uitbetaald krijgen. Voorwaarde voor uitbetaling is dat de partner van de belastingplichtige voldoende inkomen heeft en daarbij voldoende belasting betaalt. Deze uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner wordt in 15 jaar tijd afgebouwd. De afbouw is in 2009 gestart. Deze afbouw geldt niet voor de belastingplichtige die geboren is vóór 1 januari 1963.

Arbeidskorting (artikel 8.11 Wet IB 2001)
Als een belastingplichtige recht heeft op loon, winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden en deze inkomsten uit tegenwoordige arbeid worden genoten, bestaat er recht op arbeidskorting.

In de onderstaande tabel staat de hoogte van de arbeidskorting weergegeven.

Bij een arbeidsinkomen van Bedraagt de arbeidskorting
€ 0,- tot € 10.108,- 4,581% van het arbeidsinkomen
€ 10.108,- tot € 21.835,- € 463,- + 28,771% x (arbeidsinkomen -/- € 10.108,-)
€ 21.835,- tot € 35.652,- € 3.837,- + 2,663% x (arbeidsinkomen -/- € 21.835,-)
€ 35.652,- tot € 105.736,- € 4.205,- -/- 6% x (arbeidsinkomen -/- € 35.652,-)
Vanaf € 105.736,- € 0,-

Levensloopverlofkorting

De levensloopregeling is per 1 januari 2012 afgeschaft, waardoor de levensloopverlofkorting ook vervalt. De in het verleden opgebouwde levensloopverlofkorting blijft intact voor deelnemers die op 31 december 2011 een saldo op hun levenslooprekening hadden staan. Deelnemers aan de levensloopregeling die op 31 december 2011 een saldo van minimaal € 3.000,- op hun levenslooprekening hadden staan, kunnen doorgaan met de levensloopregeling. Bij een nieuwe inleg wordt echter geen levensloopverlofkorting meer opgebouwd.

Levensloopverlofkorting (per jaar van deelname tot 2012) € 223,-

De levensloopverlofkorting is gelijk aan het bedrag van het opgenomen levenslooptegoed, maar maximaal het bovengenoemde maximum per jaar waarin is deelgenomen aan de levensloopregeling. Bedragen aan levensloopverlofkorting die tot en met afgelopen jaar al zijn genoten, worden in mindering gebracht.

Korting voor groene beleggingen (artikel 8.19 Wet IB 2001)

De korting voor groene beleggingen wordt berekend over het bedrag dat voor groene beleggingen is vrijgesteld volgens de bepalingen in box 3. Fiscaal partners verdelen de heffingskorting op dezelfde wijze als de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen. Als de grondslag sparen en beleggen nihil is, wordt de heffingskorting toebedeeld aan de partner met het hoogste inkomen. Als het inkomen van de partners gelijk is, krijgt de partner met de hoogste leeftijd de heffingskorting.

Korting groene beleggingen 0,7% van vrijstelling in box 3

Inkomensafhankelijke combinatiekorting (artikel 8.14a Wet IB 2001)

De inkomensafhankelijke combinatiekorting geldt voor minstverdienende partners en alleenstaande ouders, als deze minimaal 6 maanden een kind onder de 12 jaar verzorgen (peildatum: 1 januari).

In de onderstaande tabel staat de hoogte van de inkomensafhankelijke combinatiekorting weergegeven.

Bij een arbeidsinkomen van bedraagt de inkomensafhankelijke combinatiekorting
€ 0,- tot € 5.153,- € 0,- *
€ 5.153,- tot € 29.738,- 11,45% x (arbeidsinkomen -/- € 5.153,-)
Vanaf € 29.738,- € 2.815,-

*Behalve als er recht bestaat op zelfstandigenaftrek (artikel 3.76 Wet IB 2001).

Jonggehandicaptenkorting (artikel 8.16a Wet IB 2001)

De jonggehandicaptenkorting geldt voor belastingplichtigen die in het kalenderjaar volgens de Wajong recht hebben op een uitkering of arbeidsondersteuning en geen recht hebben op ouderenkorting.

Jonggehandicaptenkorting € 761,-

Heffingskortingen vanaf de AOW-leeftijd

In de onderstaande tabel is weergegeven op welke heffingskortingen een belastingplichtige recht kan hebben die de AOW-leeftijd heeft bereikt.

Algemene heffingskorting (artikel 8.10 Wet IB 2001)

De algemene heffingskorting voor mensen die de AOW-leeftijd hebben bereikt, is een afgeleide van de algemene heffingskorting die geldt voor mensen die de AOW-leeftijd nog niet hebben bereikt. In de onderstaande tabel wordt de hoogte van de algemene heffingskorting voor AOW’ers bij een bepaald inkomen weergegeven.

Bij een arbeidsinkomen van Bedraagt de algemene heffingskorting
€ 0,- tot € 21.043,- € 1.469,-
€ 21.043,- tot € 68.507,- € 1.469,- -/- 3,093% x (belastbaar inkomen uit werk en woning -/- € 21.043,-)
Vanaf € 68.507,- € 0,-

Arbeidskorting (artikel 8.11 Wet IB 2001)

De arbeidskorting voor mensen die de AOW-leeftijd hebben bereikt, is een afgeleide van de arbeidskorting die geldt voor mensen die de AOW-leeftijd nog niet hebben bereikt. In de onderstaande tabel wordt de hoogte van de arbeidskorting voor AOW-gerechtigden weergegeven.

Bij een arbeidsinkomen van Bedraagt de arbeidskorting
€ 0,- tot € 10.108,- 2,371% van het arbeidsinkomen
€ 10.108,- tot € 21.835,- € 240,- + 14,890% x (arbeidsinkomen -/- € 10.108,-)
€ 21.835,- tot € 35.652,- € 1.987,- + 1,378% x (arbeidsinkomen -/- € 21.835,-)
€ 35.652,- tot € 105.736,- € 2.178,- -/- 3,105% x (arbeidsinkomen -/- € 35.652,-)
Vanaf € 105.736,- € 0,-

Ouderenkorting (artikel 8.17 Wet IB 2001)

Om de ouderenkorting te ontvangen, moet de belastingplichtige de AOW-leeftijd hebben bereikt of maximaal op 31 december van dit jaar bereiken.

Bij een arbeidsinkomen van bedraagt de inkomensafhankelijke combinatiekorting
€ 0,- tot € € 37.970,- € 1.703,-
€ 37.970,- tot € 49.323,- € 1.703,- -/- 15% x (verzamelinkomen -/- € 37.970,-)
Vanaf € 49.323,- € 0,-

Alleenstaande ouderenkorting (artikel 8.18 Wet IB 2001)

Belastingplichtigen die een AOW-uitkering voor alleenstaanden ontvangen, hebben recht op een alleenstaande ouderenkorting. Recht op alleenstaande ouderenkorting bestaat ook als de belastingplichtige geen of een gedeeltelijke AOW-uitkering voor alleenstaanden ontvangt, omdat hij vóór de AOW-leeftijd in het buitenland woonde of erkend gemoedsbezwaarde is en als gevolg hiervan geen (volledig) recht op een AOW-uitkering heeft opgebouwd.

Alleenstaande ouderenkorting € 443,-

Schenk- en erfbelasting

Het ministerie van Financiën heeft de belangrijkste wijzigingen in de rijksbelastingen gepubliceerd.

Partnerschap volgens Successiewet

Gehuwden en geregistreerd partners (die niet van tafel en bed gescheiden zijn) kwalificeren als partners (artikel 1a lid 1 SW 1956). Dit geldt ook voor samenwoners die gedurende 6 maanden voorafgaand aan het overlijden van de erflater of gedurende 2 jaar voorafgaand aan de schenking:

  • Allebei meerderjarig zijn;
  • Op hetzelfde woonadres staan ingeschreven in de Basisregistratie personen (BRP) (of een hiermee vergelijkbare buitenlandse registratie);
  • Door een notarieel samenlevingscontract een wederzijdse zorgverplichting hebben*;
  • Geen bloedverwanten in de rechte lijn zijn; en
  • Geen andere partner in de zin van de Successiewet hebben.

* Deze voorwaarde geldt niet voor personen die volgens de BRP tot het tijdstip van overlijden of de schenking gedurende een onafgebroken periode van minimaal 5 jaar op hetzelfde adres ingeschreven staan (artikel 1a lid 3 SW 1956).

Tarieven schenken en erven

De vrijstellingen in de schenkbelasting (artikel 33 SW 1956) staan in onderstaande tabel weergegeven.

Gedeelte van de belaste verkrijging Partners en kinderen Kleinkinderen en achterkleinkinderen Overige verkrijgers
€ 0,- tot € 128.751,- 10% 18% 30%
Vanaf € 128.751,- 20% (+ € 12.875,-) 36% (+ € 23.175,-) 40% (+ € 38.625,-)

Vrijstellingen schenkbelasting

In de onderstaande tabel staat het tarief voor de schenk- en erfbelasting weergegeven (artikel 24 lid 1 SW 1956).

Vrijstellingen schenkbelasting
Kinderen € 6.604,-
Kinderen tussen de 18 en 40 jaar, eenmalig extra* € 26.881,-
Extra verhoging eenmalige extra vrijstelling voor kinderen tussen de 18 en 40 jaar, als de schenking is gedaan voor een studie waarvan de kosten aanzienlijk hoger zijn dan gebruikelijk* € 29.115,-
Totaal € 55.996,-
Extra verhoging eenmalige extra vrijstelling voor personen tussen de 18 en 40 jaar als de schenking is gedaan voor de eigen woning (onder andere aflossing eigenwoningschuld/restschuld, verkrijging, verbetering)* € 78.421,-
Totaal € 105.302,-
Overige verkrijgers, maar alleen als geen beroep wordt gedaan op de verhoogde vrijstelling voor schenkingen voor de eigen woning € 3.244,-

* Op deze verhoogde vrijstelling moet een beroep worden gedaan in de aangifte schenkbelasting.

Let op

De extra verhogingen voor de studie en eigen woning van de eenmalige extra vrijstelling zijn alleen mogelijk als een beroep op beide vrijstellingen wordt gedaan en zijn dus niet afzonderlijk toepasbaar (eventueel wel voor verschillende doelen). Alleen als het kind vóór 1 januari 2010 een beroep heeft gedaan op de eenmalige extra vrijstelling, kan bij een schenking voor de eigen woning de extra verhoging afzonderlijk worden toegepast, maar alleen als aan de overige voorwaarden wordt voldaan (artikel 82a SW 1956). Deze uitzondering is opgenomen, omdat de extra verhoging pas sinds 1 januari 2010 in de wet is opgenomen.

Als voorwaarde bij de eigen woning geldt wel dat de verkrijger tussen de 18 en 40 jaar oud is. De ouder-kindrelatie die in het verleden gold voor de verhoogde schenkingsvrijstelling, is losgelaten. Wel kan de schenking over 3 opeenvolgende jaren worden besteed. Een andere voorwaarde is dat de geschonken bedragen uiterlijk in het tweede kalenderjaar volgend op het kalenderjaar van schenking aan de eigen woning worden besteed. De schenking kan worden aangewend voor:

  • De aankoop, verbetering of onderhoud van de eigen woning;
  • De aflossing van de eigenwoningschuld;
  • De aflossing van een restschuld van een verkochte eigen woning;
  • De afkoop van rechten van erfpacht, opstal of beklemming.

In artikel 5 Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting zijn nadere voorwaarden opgenomen met betrekking tot de vorm van de schenking, de betaling en de besteding van hetgeen is geschonken.

Vrijstellingen erfbelasting

De vrijstellingen in de erfbelasting (artikel 32 SW 1956) staan in onderstaande tabel weergegeven.

Vrijstellingen erfbelasting
Partner € 671.910,-
Kinderen en kleinkinderen € 21.282,-
Zieke/gehandicapte kinderen € 63.836,-
Ouders* € 50.397,-
Overige verkrijgers € 2.244,-

* De vrijstelling voor een ouder geldt zowel voor één ouder die erft als beide ouders die erven.

De waarden van aanspraken uit een pensioenregeling, lijfrenten en periodieke uitkeringen die samenhangen met het overlijden zijn vrijgesteld van erfbelasting, maar verminderen (voor de helft) wel op de partnervrijstelling. De resterende vrijstelling heeft een maximum. Zie voor de te berekenen vermindering en het maximum onder andere artikel 32 leden 2 t/m 4 SW 1956 en artikel 82 SW 1956.

Uitstel van betaling bij verkrijging bloot eigendom van een woning

Als iemand de bloot eigendom van een woning erft, terwijl dat voor de vruchtgebruiker de eigen woning is, wordt op verzoek van de verkrijger de waarde van de bloot eigendom gezien als geconserveerde waarde. De bloot eigendom wordt als geconserveerde waarde gezien voor zover het deel van de verkrijging dat niet bestaat uit de bloot eigendom, wordt overschreden door het bedrag van de verschuldigde erfbelasting (artikel 35g SW 1956). Dit geldt ook voor een geërfde onderbedelingsvordering, als de erfenis voornamelijk uit de woning bestaat. Hiermee wordt voorkomen dat in nalatenschappen die grotendeels bestaan uit de eigen woning, de woning verkocht of gefinancierd moet worden om de erfbelasting te kunnen betalen. Uitstel van betaling wordt beëindigd (artikel 25 lid 20 IW 1990):

  • Als de woning voor de vruchtgebruiker niet langer een eigen woning is;
  • In geval van faillissement van de belastingschuldige;
  • Ingeval de Wsnp ten aanzien van de belastingschuldige van toepassing is;
  • Bij vervreemding van de bloot eigendom;
  • Voor zover de onderbedelingsvordering wordt afgelost.

Zorgbonus

Zorgmedewerkers ontvangen in 2020 een netto bonus van € 1.000,-. In 2021 ontvangen ze een netto bonus van € 500,-.

Overige onderwerpen voor financieel dienstverleners

Styn Burkels
Posted by Styn Burkels
december 31, 2020
Styn Burkels
Posted by Styn Burkels
december 30, 2020
Styn Burkels
Posted by Styn Burkels
december 29, 2020
Styn Burkels
Posted by Styn Burkels
december 28, 2020
Styn Burkels
Posted by Styn Burkels
december 27, 2020
Styn Burkels
Posted by Styn Burkels
december 26, 2020

Overige onderwerpen voor financieel zorgverleners

Patrick Strijards
Posted by Patrick Strijards
januari 21, 2021
Patrick Strijards
Posted by Patrick Strijards
januari 13, 2021
Styn Burkels
Posted by Styn Burkels
december 31, 2020
Patrick Strijards
Posted by Patrick Strijards
december 30, 2020
Styn Burkels
Posted by Styn Burkels
december 28, 2020
Patrick Strijards
Posted by Patrick Strijards
december 26, 2020
Hoffelijk maakt gebruik van cookies.