Hulp nodig?
Onze servicedesk is van 08:00 tot 17:00 beschikbaar.
Neem contact op via: info@hoffelijk.nl of 010 – 760 11 00

Ondernemers

We raden je aan je scherm te draaien voor optimale weergave.

Ondernemers in de vennootschapsbelasting

Tarief vennootschapsbelasting

De vennootschapsbelasting (Vpb) staat in de onderstaande tabel:

Deel van de winst Tarief
Tot en met € 245.000,- 15%
Vanaf € 245.000,- 25%

Gecumuleerde belastingdruk Vpb en AB

De gecumuleerde belastingdruk van aanmerkelijk belang (box 2) en vennootschapsbelasting bedraagt dan:

Box 2-tarief = 26,90% Belastingdruk
Vpb-tarief 15% 37,87%
Vpb-tarief 25% 54,83%

Verliesverrekening

Is het inkomen uit aanmerkelijk belang negatief? Dan kan het verlies uit aanmerkelijk belang worden verrekend.

Box 2 Vpb
Voorwaartse verliesverrekening 6 jaar 6 jaar
Achterwaartse verliesverrekening 1 jaar 1 jaar

Als er voor een periode van 2 jaar geen sprake meer is van een aanmerkelijk belang, wordt een onverrekend verlies in box 2 op verzoek van de belastingplichtige omgezet in een belastingkorting van het box 2-tarief van het onverrekende verlies (artikel 4.53 Wet IB 2001). De korting vermindert dan de belasting en de premie volksverzekeringen in box 1.

Overige cijfers dga

Gebruikelijk loon dga (minimaal) volgens artikel 12a Wet LB 1964 € 47.000,-
TBS-vrijstelling (artikel 3.99b Wet IB 2001) 12%

In 2020 wordt het gebruikelijk loon in beginsel vastgesteld op het hoogste van de volgende drie bedragen (artikel 12a Wet LB lid 1):

  • 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking;
  • Het hoogste loon van de werknemers die bij de vennootschap (of een hiermee verbonden vennootschap) werkzaam zijn; of
  • Bovengenoemd gebruikelijk loon dga.

Als 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking lager is dan het volgens lid 1 vastgestelde loon, wordt dit loon in aanmerking genomen. Dit geldt alleen als dit loon hoger is dan bovengenoemd gebruikelijk loon dga. Is 75% van het loon lager dan dat bedrag? Dan wordt dat bedrag in aanmerking genomen (of 100% van het loon in de meest vergelijkbare dienstbetrekking als dit lager is dan dat bedrag).

Omslagpunt beleggen in de bv/privé (alleen Vpb)

Forfaitair rendement box 3
1,898%
Forfaitair rendement box 3
4,501%
Forfaitair rendement box 3
5,690%
Vpb-tarief laag 15% 3,923% 9,302% 11,759%
Vpb-tarief hoog 25% 2,354% 5,581% 7,056%

Omslagpunt beleggen in de bv/privé (gecumuleerde belastingdruk Vpb en AB)

Forfaitair rendement box 3
1,898%
Forfaitair rendement box 3
4,501%
Forfaitair rendement box 3
5,690%
Geen Vpb* 0% 2,187% 5,187% 6,557%
Vpb-tarief laag 15% 1,554% 3,685% 4,658%
Vpb-tarief hoog 25% 1,302% 3,089% 3,905%

* Bijvoorbeeld in geval van verliesverrekening.

Als het verwachte rendement hoger ligt dan bovenstaande percentages, is het (mogelijk) verstandiger om dividend uit te keren naar privé en te beleggen in box 3.

Ondernemers in de inkomstenbelasting

Verliesverrekening

Box 1
Voorwaartse verliesverrekening 9 jaar
Achterwaartse verliesverrekening 3 jaar

Tabel aftrekposten IB-ondernemers

Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (artikel 3.41 Wet IB 2001) € 0,- tot € 16.568,-
Zelfstandigenaftrek (artikel 3.76 lid 2 Wet IB 2001) € 6.670,-
Startersaftrek (artikel 3.76 lid 3 Wet IB 2001) € 2.123,-
Aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk (artikel 3.77 lid 1 en lid 2 Wet IB 2001) € 13.188,-
Meewerkaftrek (artikel 3.78 lid 2 Wet IB 2001) Maximaal 4% van de winst
Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid (artikel 3.78a lid 4 Wet IB 2001) Maximaal € 12.000,-
Stakingsaftrek (artikel 3.79 lid 2 Wet IB 2001) € 3.630,-
Mkb-winstvrijstelling (artikel 3.79a Wet IB 2001) 14%

Toelichting op de aftrekposten

Voor een aantal onderdelen van de ondernemersaftrek geldt als eis dat de IB-ondernemer voldoet aan het urencriterium (artikel 3.6 Wet IB 2001). Dit houdt in dat de ondernemer in het kalenderjaar minimaal 1.225 uren heeft besteed aan werkzaamheden voor één of meerdere ondernemingen waaruit hij als ondernemer winst heeft. Verder geldt, als de ondernemer in de 5 voorgaande jaren al ondernemer was, als voorwaarde dat de ondernemer zijn tijd grotendeels (> 50%) besteedt aan de onderneming. Voor de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid geldt een verlaagd urencriterium van 800 uren (artikel 3.78a lid 3 Wet IB 2001).

Bij de behandeling van de ondernemersfaciliteiten wordt een onderscheid gemaakt in faciliteiten waarvoor het urencriterium vereist is en faciliteiten waarbij dit niet het geval is.

Aftrekposten waarvoor het urencriterium vereist is

In deze paragraaf worden de zelfstandigenaftrek, de startersaftrek, de aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk, de meewerkaftrek en de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid behandeld.

Zelfstandigenaftrek (artikel 3.76 Wet IB 2001)

De zelfstandigenaftrek is nooit hoger dan het bedrag van de winst vóór de ondernemersaftrek. Als de zelfstandigenaftrek niet geheel wordt gerealiseerd, mag de niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek in mindering komen op de winst in de negen volgende kalenderjaren, maar alleen als de winst in die jaren hoger is dan de zelfstandigenaftrek.

Startersaftrek (artikel 3.76 lid 3 Wet IB 2001)

De startersaftrek is een verhoging van de zelfstandigenaftrek. Recht op de startersaftrek bestaat als:

  • De ondernemer in één of meer van de vijf voorgaande jaren geen ondernemer was;
  • In die jaren bij hem niet meer dan twee keer de zelfstandigenaftrek is toegepast; en
  • In het kalenderjaar of in één van de vijf voorgaande jaren geen sprake was van een geruisloze terugkeer uit een bv.

Aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk (artikel 3.77 Wet IB 2001)

De aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk geldt voor ondernemers die aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • Er wordt voldaan aan het urencriterium;
  • Er is een S&O-verklaring ontvangen waarin staat dat de werkzaamheden onder speur- en ontwikkelingswerk vallen;
  • Er worden minimaal 500 uren besteed aan het speur- en ontwikkelingswerk.

Meewerkaftrek (artikel 3.78 Wet IB 2001)

De meewerkaftrek geldt voor de ondernemer die aan het urencriterium voldoet en van wie de fiscaal partner  zonder enige vergoeding minimaal 525 uren meewerkt in de onderneming. De hoogte van de meewerkaftrek is afhankelijk van het aantal uren dat de partner meewerkt in de onderneming en is opgenomen in de onderstaande tabel.

Het aantal uren dat de partner meewerkt in de onderneming bedraagt De meewerkaftrek bedraagt
525 tot 875 1,25% van de winst
875 tot 1.225 2% van de winst
1.225 tot 1.750 3% van de winst
1.750 of meer 4% van de winst

De winst die in aanmerking wordt genomen voor de meewerkaftrek, is de winst uit onderneming die in het betreffende kalenderjaar wordt behaald, met uitzondering van de winst die is behaald door:

  • Een vergoeding voor onteigening;
  • Het (gedeeltelijk) staken van de onderneming;
  • Het (gedeeltelijk) overbrengen van de onderneming naar het buitenland.

In het besluit van 19 januari 2006 (CPP2006/73M) is door de staatssecretaris van Financiën goedgekeurd dat voor de toepassing van de meewerkaftrek onder de woorden ‘zonder enige vergoeding’ mede wordt verstaan: een feitelijk overeengekomen en/of verstrekte vergoeding van minder dan € 5.000,-. De vergoeding is voor de ondernemer bij het bepalen van de winst niet aftrekbaar (artikel 3.16 lid 4 Wet IB 2001). Ontvangt de partner een vergoeding van
€ 5.000,- of meer, dan is de gehele vergoeding bij de partner belast als resultaat uit overige werkzaamheden.

Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid (artikel 3.78a Wet IB 2001)

Een ondernemer kan onder de volgende voorwaarden recht hebben op de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid:

  • Hij voldoet aan het verlaagd urencriterium (800 uren);
  • Hij heeft de AOW-leeftijd nog niet bereikt;
  • In één of meer van de vijf voorgaande kalenderjaren was hij geen ondernemer;
  • Hij kan een arbeidsongeschiktheidsuitkering krijgen; en
  • Er was in het kalenderjaar of in 1 van de 5 voorgaande jaren geen sprake van een geruisloze terugkeer uit een bv.

De hoogte van de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid is afhankelijk van het aantal jaren waarin deze aftrek in de voorgaande 5 jaren is toegepast. Als de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid in deze jaren niet is toegepast, bedraagt deze het maximum. Is de aftrek eerder toegepast? Want wordt de aftrek verlaagd. Is de startersaftrek drie keer (of meer) toegepast? Dan bestaat er geen recht meer op de aftrek.

Aftrekposten waarvoor het urencriterium niet vereist is

In deze paragraaf worden twee ondernemersfaciliteiten behandeld, waar ook ondernemers recht op hebben die niet aan het urencriterium voldoen.

Stakingsaftrek (artikel 3.79 Wet IB 2001)

De stakingsaftrek geldt voor de ondernemer die in een kalenderjaar winst behaalt met of bij het staken van een of meer gehele ondernemingen. De stakingsaftrek is gelijk aan de stakingswinst, maar heeft bovengenoemd maximum.

Investeringsaftrek (artikel 3.40 Wet IB 2001)

Investeringsaftrek kan de vorm hebben van een kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (artikel 3.41 Wet IB 2001), van een energie-investeringsaftrek (artikel 3.42 Wet IB 2001) en van een milieu-investeringsaftrek (artikel 3.42a Wet IB 2001).

Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

Als een bedrag wordt geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen, kan een ondernemer in aanmerking komen voor de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek. De bedrijfsmiddelen waarin wordt geïnvesteerd, moeten dan wel in aanmerking komen voor investeringsaftrek. In artikel 3.45 Wet IB 2001 worden de hiervoor uitgesloten bedrijfsmiddelen opgesomd. Een voorbeeld van een uitgesloten bedrijfsmiddel is een personenauto, behalve als de auto hoofdzakelijk is bestemd voor het beroepsvervoer over de weg (zoals taxi’s en auto’s van koeriersdiensten).

Bij een investeringsbedrag in een kalenderjaar van bedraagt de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek
€ 0,- tot € 2.400,- € 0,-
€ 2.400,- tot € 59.170,- 28% opbouw over het bedrag in deze schrijf
€ 59.170,- tot € 109.574,- € 16.568,-
€ 109.574,- tot € 328.721,- 7,56% afbouw over het bedrag in deze schijf
Vanaf € 328.721,- € 0,-

Energie-investeringsaftrek

De energie-investeringsaftrek (EIA) geldt voor bedrijfsmiddelen waarvan het investeringsbedrag minimaal € 2.500,- bedraagt. Een energie-investering is een investering in een bedrijfsmiddel dat staat vermeld op de zogeheten Energielijst. Deze lijst is te vinden op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).

Energie-investeringsaftrek 45,5% van de investeringskosten

Milieu-investeringsaftrek

De milieu-investeringsaftrek (MIA) geldt alleen voor milieu-investeringen van ondernemers. Er geldt een drempelbedrag van € 2.500,- per bedrijfsmiddel. Voor de MIA gelden drie percentages, afhankelijk van de categorie waartoe een investering behoort. Om in aanmerking te komen voor de MIA is het voldoende dat een investering op de milieulijst wordt vermeld. Er is geen verklaring nodig van het ministerie van Financiën.

Milieu-investeringsaftrek 13,5%, 27% of 36% van de investeringskosten

Modernisering personenvennootschappen

De personenvennootschap wordt gemoderniseerd. Dit moet ervoor zorgen dat het voor ondernemers makkelijker wordt om een bedrijf te starten.

Het wetsvoorstel bevat onder andere de volgende wijzigingen:

  • De rechten en plichten van vennoten en de regels rondom aansprakelijkheid worden verduidelijkt. Bij het verstrekken van een opdracht kan de aansprakelijkheid worden beperkt tot de vennoot aan wie de opdracht is toevertrouwd.
  • Het wordt mogelijk om een aanspraak op winst te verpanden.
  • De verschillen tussen de maatschap en de vennootschap onder firma (vof) gaan verdwijnen. Er komen twee soorten vennootschappen: de vennootschap en de commanditaire vennootschap. Momenteel kan een maatschap alleen door beroepsbeoefenaren (denk aan advocaten of huisartsen) worden opgericht. De vof is alleen bedoeld voor degenen die bedrijfsactiviteiten uitvoeren. Omdat het onderscheid tussen beroeps- en bedrijfsactiviteiten niet altijd duidelijk is, kan in de toekomst iedereen eenzelfde vennootschap oprichten.
  • De nieuwe vennootschap krijgt rechtspersoonlijkheid. Dat wil zeggen dat de vennootschap eigen rechten en plichten krijgt en dus ook bijvoorbeeld goederen kan kopen of schulden kan aangaan. Hierdoor wordt het makkelijker om te beoordelen of een vennootschap bestaat, wat het vermogen hiervan is en wie namens de vennootschap mogen handelen. De vennoten blijven privé aansprakelijk als blijkt dat de vennootschap de schulden niet zal voldoen.

Kifid breidt dienstverlening uit voor mkb

Het Kifid biedt kleine mkb-ondernemers en zzp’ers sinds 1 juli 2019 de mogelijkheid om klachten over alternatieve financieringen aan hen voor te leggen. Het gaat hierbij om niet-bancaire financieringen, bijvoorbeeld via een crowdfundingplatform of fintech.

De ondernemer kan de klacht indienen als de financier de Gedragscode MKB Financiers heeft ondertekend én nadat de interne klachtenprocedure is doorlopen. Het mag alleen gaan om klachten over alternatieve financieringen die zijn aangevraagd ná 1 juli 2019. De uitspraak van het Kifid over financieringen tot € 250.000,- is altijd bindend.

Anonieme aandelen aan toonder afgeschaft

De Eerste Kamer is akkoord gegaan met een wet die een einde maakt aan de anonieme aandelen aan toonder. Hiermee moet belastingontduiking, witwassen en terrorismefinanciering worden voorkomen.

Sinds 1 juli 2019 zijn papieren aandelen van niet-beursgenoteerde vennootschappen afgeschaft. Aandeelhouders moeten deze zogenoemde toonderstukken voor 1 januari 2021 inleveren bij de betreffende vennootschap. De aandeelhouders kunnen alleen dan hun rechten nog uitoefenen.

Nieuwe aandelen aan toonder kunnen sinds 1 juli 2019 alleen nog worden verhandeld via een effectenrekening bij bijvoorbeeld een bank of beleggingsonderneming. Deze effectenrekening staat op naam. Hierdoor wordt de aandeelhouder geïdentificeerd.

Overige onderwerpen

Styn Burkels
Posted by Styn Burkels
december 31, 2020
Styn Burkels
Posted by Styn Burkels
december 30, 2020
Styn Burkels
Posted by Styn Burkels
december 29, 2020
Styn Burkels
Posted by Styn Burkels
december 28, 2020
Styn Burkels
Posted by Styn Burkels
december 27, 2020
Styn Burkels
Posted by Styn Burkels
december 26, 2020
Hoffelijk maakt gebruik van cookies.