Hulp nodig?
Onze servicedesk is van 08:00 tot 17:00 beschikbaar.
Neem contact op via: info@hoffelijk.nl of 010 – 760 11 00

Pensioen

We raden je aan je scherm te draaien voor optimale weergave.

Lijfrenteaftrek

Premies voor lijfrenten en bedragen betaald voor een lijfrentespaarrekening of -beleggingsrecht, zijn onder bepaalde voorwaarden aftrekbaar. Als aan deze voorwaarden is voldaan, kan aan de hand van de jaarruimte en/of reserveringsruimte de hoogte van het (maximaal) aftrekbare bedrag worden bepaald (Afdeling 3.7 wet IB 2001).

Jaarruimteberekening

Uitgangspunten voor de jaarruimteberekening zijn het inkomen en de pensioenaangroei van het afgelopen jaar (artikel 3.127 lid 1 Wet IB 2001).

De jaarruimte wordt als volgt berekend:

(13,3% x PG) -/- (6,27 x A) -/- F

PG Het gezamenlijke bedrag van de winst uit onderneming (vóór toevoeging aan en afneming van de oudedagsreserve en vóór de ondernemersaftrek), het belastbare loon, het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden en de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen, verminderd met de AOW-franchise. Er geldt een maximaal inkomen voor de premiegrondslag (artikel 3.127 lid 3 Wet IB 2001). Voor het meerdere kan een nettolijfrente worden opgebouwd.
A Factor A: Pensioenaangroei van afgelopen jaar (Factor A staat op het UPO).
F Dotaties aan de oudedagsreserve (ingeval van IB-ondernemer).

De vermindering van de jaarruimte met A en F volgt uit artikel 3.127 lid 4 Wet IB 2001.

Maximaal inkomen premiegrondslag € 112.189,-
AOW-franchise € 12.672,-
Maximale premiegrondslag € 99.517,-
Maximale jaarruimte € 13.236,-

Let op

Bij stakende ondernemers kunnen op verzoek, in afwijking van hetgeen hierboven beschreven staat, als uitgangspunt voor de jaarruimteberekening de gegevens van het betreffende jaar gebruikt worden (in plaats van het voorgaande jaar). Zie hiervoor artikel 3.127 lid 5 Wet IB 2001.

Reserveringsruimte

De reserveringsruimte is de ongebruikte jaarruimte van de afgelopen 7 jaar (artikel 3.127 lid 2 Wet IB 2001) en bedraagt in het jaar van aftrek maximaal 17% van de premiegrondslag. Voor belastingplichtigen die op 1 januari de leeftijd van 56 jaar en 4 maanden hebben bereikt, wordt het maximumbedrag verhoogd.

Maximale reserveringsruimte tot 56 jaar en 4 maanden € 7.489,-
Maximale reserveringsruimte vanaf 56 jaar en 4 maanden € 14.785,-

In de onderstaande tabel staat de hoogte van de AOW-franchise, de pensioenimputatie, het jaarruimtepercentage en de maximale premiegrondslag van voorgaande jaren weergegeven (voor het berekenen van de reserveringsruimte).

Jaar Jaarruimte percentage Maximaal inkomen premiegrondslag AOW-franchise Maximale premiegrondslag Pensioenimputatie
2020 13,3% € 110.111,- € 12.472,- € 97.639,- 6,27
2019 13,3% € 107.593,- € 12.275,- € 95.318,- 6,27
2018 13,3% € 105.075,- € 12.129,- € 92.946,- 6,27
2017 13,8% € 103.317,- € 12.032,- € 91.285,- 6,5
2016 13,8% € 101.519,- € 11.996,- € 89.523,- 6,5
2015 13,8% € 100.000,- € 11.936,- € 88.064,- 6,5
2014 15,5% € 174.286,- € 11.829,- € 162.457,- 7,2

Nettolijfrente

Sinds 2015 is het maximaal inkomen premiegrondslag afgetopt. Dit betekent dat voor de jaarruimte geen rekening mag worden gehouden met het inkomen boven deze grens. Ter compensatie van deze maatregel is de regeling van de nettolijfrente (afdeling 5.3A Wet IB 2001) geïntroduceerd. De nettolijfrente kent een verzekerde en een bancaire variant, waardoor de nettolijfrente kan worden vormgegeven als een nettolijfrenteverzekering, een nettolijfrenterekening of een nettolijfrentebeleggingsrecht.

De nettolijfrenteregeling is bedoeld voor mensen met een inkomen boven het maximaal inkomen premiegrondslag en heeft de volgende kenmerken:

  • Er wordt gespaard vanuit het nettoloon;
  • De aanspraak is gedurende de opbouw vrijgesteld in box 3 (artikel 5.16 lid 1 Wet IB 2001);
  • De lijfrentetermijnen zijn bij uitkering onbelast (netto-uitkering).

De maximale premie voor een nettolijfrente wordt begrensd. Deze premie:

  • Bedraagt maximaal een percentage van de winst uit onderneming, het belastbare loon, het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden en de belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen in het kalenderjaar voorafgaand aan de inleg, voor zover dit inkomen uitkomt boven de grens;
  • Heeft op de belastingplichtige gedrukt (dit houdt in dat de premie moet worden betaald vanuit het nettoloon);
  • Is niet geheel of gedeeltelijk in aanmerking genomen als uitgave voor inkomensvoorzieningen in box 1;
  • Is niet geheel of gedeeltelijk voldaan na afloop van het kalenderjaar waarin de belastingplichtige de AOW-leeftijd heeft bereikt.

Het in de bovenstaande opsomming bedoelde percentage is leeftijdsafhankelijk en is vastgelegd in artikel 17bis lid 1 Uitvoeringsbesluit IB 2001.

De maximale premie wordt verder verminderd met de premie die in het voorafgaande kalenderjaar is ingelegd voor een nettopensioenregeling (artikel 17bis lid 2 Wet IB 2001).

Onregelmatige handelingen

Zoals gezegd is de nettolijfrente tijdens de opbouw vrijgesteld van vermogensrendementsheffing. Volgens artikel 5.16c lid 1 Wet IB 2001 zal de vrijstelling in box 3 vervallen, als:

  • Een aanspraak op een nettolijfrente niet langer als zodanig aan te merken is;
  • Een aanspraak op een nettolijfrente geheel of gedeeltelijk wordt afgekocht of vervreemd, dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid wordt;
  • De verplichting met betrekking tot de aanspraak op een nettolijfrente overgaat naar een niet-toegelaten aanbieder;
  • De belastingplichtige van zijn werkgever (inhoudingsplichtige) een bijdrage heeft ontvangen voor de nettolijfrente, terwijl de werkgever deze bijdrage niet aan zijn overige werknemers, die zich verder in dezelfde omstandigheden bevinden, heeft verstrekt.

Daarnaast wordt het al genoten box 3-voordeel teruggedraaid middels een forfaitair bepaalde fiscale sanctie (artikel 5.16c lid 2 Wet IB 2001). De werking van deze fiscale sanctie brengt met zich mee dat een bedrag ter grootte van de helft van de waarde van de aanspraak aan het begin van het kalenderjaar waarin de onregelmatige handeling zich voordoet, vermenigvuldigd met tien, wordt opgeteld bij de rendementsgrondslag van het volgende kalenderjaar. Als de onregelmatige handeling zich dus voordoet in dit jaar, wordt een bedrag ter grootte van de helft van de waarde van de aanspraak op 1 januari van dit jaar, vermenigvuldigd met tien, gerekend bij de rendementsgrondslag op 1 januari van volgend jaar.

Als de belastingplichtige aannemelijk kan maken dat het bedrag aan verschuldigde inkomstenbelasting en belastingrente lager zou zijn dan het al genoten box 3-voordeel door navorderingsaanslagen terug zou worden genomen, dan wordt dit bedrag, vermenigvuldigd met 100/1,2, gerekend tot de rendementsgrondslag in het kalenderjaar na de onregelmatige handeling (artikel 5.16c lid 3 Wet IB 2001).

Overige cijfers lijfrentevoorzieningen

Fiscaal verzachtende afkoopregeling kleine lijfrenten* € 4.547,-
Afkoopgrens kleine pensioenen (artikel 66 PW) € 503,24 per jaar
Maximale jaaruitkering tijdelijke oudedagslijfrente
(artikel 3.125 lid 1 onderdeel c Wet IB 2001)
€ 22.443,-
Maximale jaaruitkering overbruggingslijfrente € 63.288,-

* Deze regeling houdt in dat de afkoop van een lijfrenteverzekering, lijfrentespaarrekening of een lijfrentebeleggingsrecht alleen in de heffing van de inkomstenbelasting wordt betrokken. De berekening van de revisierente (normaliter 20%) blijft hierbij achterwege.

IB-ondernemers

Oudedagsreserve

Dotaties aan oudedagsreserve (artikel 3.68 lid 1 Wet IB 2001) 9,44% (maximaal € 9.395,-)

De oudedagsreserve (paragraaf 3.2.3 Wet IB 2001) is een fiscale faciliteit die geldt voor IB-ondernemers. Zij kunnen jaarlijks een bepaald gedeelte van hun winst reserveren. Voor de oudedagsreserve gelden de volgende voorwaarden:

  • In het kalenderjaar van toevoeging moet de ondernemer voldoen aan het urencriterium;
  • Aan het begin van het kalenderjaar mag de ondernemer de AOW-leeftijd nog niet hebben bereikt;
  • De maximale toevoeging bedraagt van de winst, met een absoluut maximum;
  • De toevoeging wordt verminderd met het bedrag aan pensioenpremie dat in het kalenderjaar al ten laste van de winst is gekomen;
  • De toevoeging is maximaal het bedrag waarmee het ondernemingsvermogen aan het einde van het kalenderjaar de oudedagsreserve aan het begin van het kalenderjaar overtreft.

De oudedagsreserve neemt af met een door de belastingplichtige te kiezen bedrag, maar met maximaal het bedrag van de premies voor lijfrenten die in het kalenderjaar als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking worden genomen.

Daarnaast neemt de oudedagsreserve af met het bedrag waarmee de reserve het ondernemingsvermogen aan het einde van het kalenderjaar overtreft, als:

  • De onderneming of een gedeelte van de onderneming is gestaakt;
  • De ondernemer de AOW-leeftijd heeft bereikt;
  • De ondernemer in het kalenderjaar en in het voorafgaande kalenderjaar niet aan het urencriterium heeft voldaan.

Stakingswinst omzetten in lijfrente

Stakende ondernemers hebben extra ruimte aan lijfrenteaftrek. Zij kunnen hun stakingswinst omzetten in een lijfrente (artikel 3.129 Wet IB 2001). In de onderstaande tabel is de maximale hoogte van deze extra aftrekruimte weergegeven.

  • Voor de stakende ondernemer die maximaal 5 jaar jonger is dan de AOW-leeftijd
  • Voor de stakende ondernemer die 45% of meer arbeidsongeschikt is en de hem toekomende
    termijnen van lijfrente binnen 6 maanden na het staken van de onderneming laat ingaan
  • Voor de stakende ondernemer die staakt vanwege zijn overlijden
€ 474.517,-
  • Voor de stakende ondernemer die tussen de 5 en 15 jaar jonger is dan de AOW-leeftijd
  • Voor de stakende ondernemer die de uitkeringen direct in laat gaan
€ 237.267,-
  • Voor de overige stakende ondernemers
€ 118.640,-

Dga’s

Afschaffing pensioen in eigen beheer

Sinds 1 april 2017 is het niet langer mogelijk om fiscaal gefaciliteerd nieuwe pensioenaanspraken op te bouwen in eigen beheer. Tot 1 juli 2017 was het nog mogelijk om te doteren aan eventueel al in eigen beheer opgebouwde pensioenaanspraken, maar daarna moest de pensioenopbouw in eigen beheer echt worden stopgezet. Wel behoudt de dga de mogelijkheid om na 1 april 2017 pensioenaanspraken op te bouwen bij een professionele aanbieder, net zoals een ‘gewone’ werknemer.

Fiscaal gefaciliteerde afkoop

De dga werd gedurende een periode van 3 jaar de mogelijkheid geboden zijn opgebouwde pensioenaanspraak af te kopen. Deze afkoopmogelijkheid werkte als volgt:

  • De pensioenaanspraak wordt fiscaal geruisloos (zonder loonbelasting, revisierente en vennootschapsbelasting) afgestempeld naar het niveau van de fiscale waarde van de pensioenverplichting;
  • De fiscale waarde van de pensioenverplichting vóór de afstempeling vormt het uitgangspunt voor de vaststelling van de loonbelasting. De dga wordt gedurende een periode van 3 jaar
    de mogelijkheid geboden zijn opgebouwde pensioenaanspraak af te kopen.

Om te bewerkstelligen dat deze afkoop en de daarmee te bereiken vereenvoudiging op een zo kort mogelijke termijn plaats zou vinden, gold de afkoopmogelijkheid alleen voor 3 jaar: in 2017, 2018 en 2019. Bovendien nam de korting per jaar af. Sinds 1 januari 2020 zijn de fiscale voordelen komen te vervallen. Bij afkoop na 1 januari 2020 is de volledige commerciële waarde belast en moet 20% revisierente worden betaald.

Omzetten in een oudedagsverplichting

Naast afkoop van de aanspraak werd tot uiterlijk 31 december 2019 ook de mogelijkheid geboden om de pensioenaanspraak met fiscale voordelen om te zetten in een aanspraak op een zogenoemde oudedagsverplichting. De hoogte van deze verplichting is gelijk aan de fiscale waarde op het moment van het fiscaal geruisloos afstempelen van de pensioenaanspraak. De verplichting rent vervolgens op met het U-rendement en er kan niet aan de verplichting worden gedoteerd. Als het wenselijk is, kan de dga in een later stadium ook nog kiezen voor afkoop van de verplichting.

Belastingheffing over de oudedagsverplichting vindt plaats in de uitkeringsfase. De dga kan de reservering op elk gewenst moment opeisen om een extern lijfrenteproduct te bedingen. Als hier niet voor wordt gekozen, moet de reservering vanaf de AOW-leeftijd door het eigenbeheerlichaam gedurende 20 jaar gelijkmatig worden uitgekeerd aan de dga. Het is ook mogelijk de uitkeringen in de 5 jaar voor de AOW-leeftijd al in te laten gaan. In dat geval wordt de periode van 20 jaar vermeerderd met het aantal jaren dat de uitkeringen eerder ingaan.

Geen afkoop of omzetting

Als de dga geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot een gefaciliteerde afkoop of omzetting, blijven de opgebouwde aanspraken sinds 1 juli 2017 in eigen beheer behouden en is de huidige regelgeving van toepassing in de vennootschapsbelasting, loonbelasting en inkomstenbelasting.

Positie partner

Het afkopen of omzetten van de pensioenverplichting is alleen mogelijk met schriftelijke instemming van de (gewezen) partner.

Overige wijzigingen

Pensioengerechtigde leeftijd

Sinds 1 januari 2018 is de pensioenrichtleeftijd verhoogd van 67 jaar naar 68 jaar. Dit houdt in dat een pensioenfonds en pensioenverzekeraar er in principe van uitgaan dat iemand tot de 68-jarige leeftijd pensioen opbouwt. Als de werknemer op de AOW-leeftijd met pensioen zou willen, moet er een gat worden opgevuld waarin er wel AOW wordt ontvangen, maar nog geen pensioen. In veel gevallen is het mogelijk om het opgebouwde pensioen eerder in te laten gaan. Het pensioen valt dan wel lager uit.

Wet verbeterde premieregeling

Op 1 september 2016 is de Wet verbeterde premieregeling in werking getreden. De wet introduceert een keuzemogelijkheid voor deelnemers aan premie- en kapitaalovereenkomsten voor een vaste of een variabele pensioenuitkering. Door de Wet verbeterde premieregeling kan het pensioenkapitaal in de uitkeringsfase (deels) risicodragend worden doorbelegd. Het idee is dat doorbeleggen kan leiden tot een hoger pensioenresultaat. Hierdoor wordt het pensioen minder afhankelijk van de rentestand op de pensioeningangsdatum. Het doorbeleggen brengt automatisch ook een risico met zich mee: de resultaten zijn onzeker, waardoor de uitkering ook kan dalen.

De Wet verbeterde premieregeling heeft gevolgen voor pensioenuitvoerders die premie- en kapitaalovereenkomsten aanbieden. Zij moeten volgens artikel 63b Pensioenwet onder andere:

  • Deelnemers voorafgaand aan de pensioendatum de keuze geven tussen een vaste of een variabele uitkering (lid 1);
  • Hierbij moet de pensioenuitvoerder relevante informatie verstrekken over de gevolgen en risico’s bij de verschillende keuzes (lid 2);
  • Deelnemers informeren over de mogelijkheden tot waardeoverdracht, als de pensioenuitvoerder niet zowel vaste als variabele uitkeringen aanbiedt (lid 3).

Als de deelnemer niet binnen de door de pensioenuitvoerder gestelde termijn reageert op de keuzemogelijkheid, gaat de pensioenuitvoerder die vastgestelde uitkeringen uitvoert op de ingangsdatum van het pensioen over tot verstrekking van een vastgestelde uitkering (artikel 63b lid 4 Pensioenwet).

De Autoriteit Financiële Markten heeft een leidraad uitgegeven die richting en duidelijkheid moet geven over de Wet verbeterde premieregeling. Deze leidraad richt zich vooral tot pensioenverzekeraars, premiepensioeninstellingen, pensioenfondsen en sociale partners.

(Heel) kleine pensioenen

Sinds 1 januari 2019 kunnen pensioenuitvoerders heel kleine pensioenen laten vervallen, zonder dat zij hier vooraf toestemming van de deelnemer voor nodig hebben. Van een heel klein pensioen wordt gesproken als de jaarlijkse bruto-uitkering maximaal € 2,- bedraagt.

Ook de regels voor kleine pensioenen zijn sinds 1 januari 2019 aangepast. Hierbij gaat het om pensioenen van meer dan € 2,- en minder dan afkoopgrens voor kleine pensioenen. Pensioenuitvoerders mogen deze pensioenen niet langer afkopen. Wel kunnen deze pensioenen worden samengevoegd en ondergebracht bij de pensioenuitvoerder waar de deelnemer op dat moment pensioen opbouwt. Voor deze waardeoverdracht is geen toestemming vereist van de deelnemer. De pensioenuitvoerder mag verder het klein pensioen nog wel afkopen op de ingangs- of pensioendatum.

Automatische conversie van pensioen bij scheiding

Bij een scheiding krijgt de ex-partner automatisch recht op de helft van het tijdens het huwelijk opgebouwd ouderdomspensioen. Dit is geregeld in de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding. Het is niet zo dat de ex-partner automatisch een eigen pensioenaanspraak krijgt (conversie). Hierdoor blijven  ex-partners van elkaar afhankelijk.

Let op

Partners kunnen afwijken van de wettelijke regeling. Zo kan bijvoorbeeld worden overeengekomen dat bij scheiding geen verdeling van opgebouwd ouderdomspensioen plaatsvindt. Ook kan juist worden gekozen voor conversie.

De wettelijke regeling wordt aangepast door vanaf 2022 conversie de standaard te maken. Ex-partners krijgen dan beiden automatisch een zelfstandig recht op de helft van het ouderdomspensioen dat tijdens het huwelijk is opgebouwd. Hiermee worden zij niet meer levenslang afhankelijk van elkaar met betrekking tot het pensioen.

Daarnaast wordt voor het bijzonder nabestaandenpensioen vanaf 2022 alleen gekeken naar de huwelijksperiode. Momenteel krijgt de ex-partner recht op het volledige opgebouwde nabestaandenpensioen tot het moment van scheiden.

Overige onderwerpen

Styn Burkels
Posted by Styn Burkels
december 31, 2020
Styn Burkels
Posted by Styn Burkels
december 30, 2020
Styn Burkels
Posted by Styn Burkels
december 29, 2020
Styn Burkels
Posted by Styn Burkels
december 28, 2020
Styn Burkels
Posted by Styn Burkels
december 27, 2020
Styn Burkels
Posted by Styn Burkels
december 26, 2020
Hoffelijk maakt gebruik van cookies.